Idee

De eerste keer

De eerste indruk telt. Zonder meer. Dat is een van de schrijfregels die de gemiddelde auteur ingeprent krijgt. De nadruk wordt dan vaak gelegd op de eerste zin. Als die niet goed zou zijn, dan leest de lezer echt niet verder. Eerlijk is eerlijk, een kromme eerste zin nodigt inderdaad niet uit, maar een helder klinkende binnenkomer die vooraf gaat aan een tenenkrommend hoofdstuk, weet de boel ook niet te redden. Kortom, de eerst zin moet goed zijn, maar de rest beter.

Tweede kans voor een eerste indruk

Een goed verhaal staan een wat minder goede eerste zin niet in de weg. Al zou een goed (geschreven) verhaal in principe geen slechte zinnen moeten bevatten, maar dat terzijde. Een eerste indruk die je niet meer kan overdoen is de introductie van het hoofdpersonage/ de hoofdpersonages. Die moet gelijk staan en is bepalend voor het verloop van het verhaal. Onlangs las ik Noem me bij jouw naam van André Aciman en in de eerste paar alinea’s waarin hij Oliver en Elio introduceert is al te lezen hoe hun relatie zou gaan verlopen.

Oefening baart kunst, en leuke personages.

Op de facebookpagina ‘korte verhalen en gedichten’ worden wel eens schrijfopdrachten geplaatst. Deze keer was de opdracht om een eerste ontmoeting te schrijven. Daar deed ik ook aan mee met de twee hoofdpersonages uit een langer verhaal:

‘Ik denk niet dat wij veel omgang met elkaar zullen hebben.’
Het verraderlijke lag in het woord ‘denk’ dat een opening suggereerde. Een deur op een kier. Een mogelijkheid dat er eventueel wel omgang zou kunnen plaatsvinden, wat dat ook zou mogen zijn. Onbedoeld gaf Benjamin hier al zijn zwaktebod bloot; ‘denk’. Hij dacht te veel, over alles en iedereen, maar vooral over dingen waarbij nadenken niet gewenst was.
Ik glimlachte en zei enkel ‘oké’. Wat anders had ik kunnen zeggen?
Ik denk het niet? Of
Ik hoop van wel? Of
Lul niet zo overdreven kakkineus.
Ik dacht het alledrie, maar hield het bij die twee eenvoudige lettergrepen. ‘Oké.’ Als in ‘whatever’. Wat kon mij het ook schelen. Gek genoeg kon het me wel schelen. Niet dat ik er een halszaak van wilde maken, of dat het ook maar iets zou veranderen, maar ik vond het idee dat hij zich hiermee superieur opstelde niet prettig. Hij woonde misschien dat wel in een huis waar je een half dorp in kon laten logeren, droeg zijn kleding alsof hij naar een feestje ging, maar misschien zag hij het leven ook wel zo. Als een feestje. Ik kon hem vertellen dat dat niet zo was. Maar dat was mijn kant van het leven. Voor hem de onderkant. Het lagere segment. Waar hij niet bij hoorde.
Ik denk niet dat wij veel omgang met elkaar zullen hebben.
Nee, dacht ik. Ik denk het ook niet. Behalve dat we alle twee van hetzelfde geslacht waren, hadden we niets maar dan ook niets met elkaar gemeen. Hij was de bewoner van dit huis, ik de klusjesman dankzij zijn filantropische vader. Hij had me in wezen gered van blamage, van papiertjes prikken met een gekleurd hesje aan. Te schade en schande voor iedereen. Vooral mijn ouders. Mijn arme ouders. Zonder dat iemand ze echte kenden zouden mensen toch medelijden met ze hebben omdat hun zoon, ik was immers iemands kind, iets had gedaan wat hem een werktaak had opgeleverd.  Een werktaak met een gekleurd hesje en daarmee dus aan de wereld kundig maakte dat ik een minderjarig iemand was en potentieel crimineel. Gedoemd te dwalen op het slechte pad. Ver buiten de netjes geplaveide wegen waar iemand zoals Benjamin over schreed.
Ik denk niet dat wij veel omgang met elkaar zullen hebben.
Alleen in nood, als iemand het onkruid van zijn pad zou moeten wieden. Ergens vond ik het jammer. Ik glimlachte alleen maar, zei ‘Oké’, en zonder verder er nog iets aan toe te voegen, zelfs geen handgebaar of knikje met mijn hoofd ten teken dat dit gesprek voorbij was, liep ik weg.
‘O, jongen!’
Ik draaide me om. Zei hij dat nu echt? Jongen? Wie dacht hij godverbeten wel wie hij was met zijn kaki oude lullen pantalon waar de vouw precies in het midden zat, waarschijnlijk als geheugensteuntje dat hij altijd naar de vouw in het midden moest zoeken, zijn blouse, fijn gestreken, strak gevouwen zonder één enkel kreukeltje die over zijn schouders viel alsof het hem omarmde. Als een beschermende katoenen deken. Het was april, de eerste dag lente, geen herfst zoals hij zich kleedde. Muggen zaten er nog niet.
‘Ik heet Mero,’ zei ik. De temperatuur van de dag probeerde ik te vangen in mijn stem, maar het bevroor.
‘Dat wilde ik ook vragen.’ Hij leek niet van zijn stuk gebracht. Trok zijn mondhoeken in een krul en haalde een hand door zijn haar. Het was me niet duidelijk of zijn korte krullen aan zijn hoofd plakte vanwege de gel die hij gebruikte of vanwege het zweet. Ik stond te ver van hem vandaan om hem te ruiken. Het rook naar aarde in de kweekkas. Een diepe zware lucht die aan je bleef plakken. Hoe hij zo wit kon blijven was me een raadsel.
‘Wat kweek je?’
‘Elysiums.’
We hadden een omgang. Ik stelde een vraag, en hij gaf direct antwoord.
‘O.’
‘Het is een liefhebberij. Eentje minder gewaardeerd dan orchideeën kweken, maar dat is puur vanwege de vulgariteit die de naam alleen al uitstraalt.’ Hij schoof een metalen brilletje op zijn neus en tuurde door het glas naar de kleine groene blaadjes aan een steel. Zijn hoofd hief hij omhoog zodat zijn blik net langs, of misschien wel zelfs onder, het montuur doorging. Geen idee hoe oud hij was, hij leek jong en toch weer niet. Zoals hij nu keek, leek hij te oud voor zijn lijf.
‘Het vergt geduld,’ zei hij na een tijdje. ‘Bloemen laten groeien vergt geduld en tijd. Dan pas groeit het in al haar glorie. Behalve onkruid, uiteraard. Onkruid groeit niet, het woekert. Overrompelt alles wat mooi en goed is.’
‘Onkruid zijn ook planten.’
 ‘Jij zegt het.’ Hij zuchtte. ‘Ik hoop voor papá dat je wel het verschil ziet tussen echte bloemen en onkruid, anders laat hij je ook nog het credo plantenmoordenaar optekenen.’
Hij besproeide de blaadjes met een fijn spuitje. Geen echte plantenspuit, eerder een soort parfum verstuiver. Een druppeltje zweet parelde van zijn voorhoofd. ‘Hier staat geen onkruid, Mero.’ Hij zei het met hetzelfde misgenoegen als zijn eerdere opmerking.
Ik denk niet dat we veel omgang met elkaar zullen hebben.
Hier staat geen onkruid.
Mero.
Hij zei nog wel mijn naam. Enkel om er zeker van te zijn dat ik snapte tegen wie hij het had. Hier stond geen onkruid. Ik was te veel.
‘Jij zegt het,’ siste ik. Ik overschreed de grens. Die diepe kloof tussen hem en mij. Hij de aristocraat, ik de armzalige jeugddelinquent. Ik had moeten knikken, me verontschuldigen, maar me niet moeten laten uitdagen. Hoe kon hij zo koel blijven in deze verzengende hitte? Ik ging dood hier. Het bloed joeg door mijn lijf. Kijk me aan, wilde ik schreeuwen. Ik praat verdomme tegen je.
‘Een goed verstaander heeft een half woord nodig.’ Het druppeltje zweet glipte langs zijn hals zijn blouse in. Het bovenste knoopje stond open, als een uitnodiging voor het  vocht dat uit zijn poriën werd geperst door de warmte die al het zuurstof uit de lucht had ontnomen en enkel nog zout kon omzetten in vloeibaar.
‘Aangenaam kennis te maken,’ loog ik. Hij was een goed verstaander, dus dan zou het hem wel duidelijk zijn hoe ik erover dacht. ‘Eensgelijks,’ kaatste hij terug.
Ik kookte. Draaide me om en liep weg. Eensgelijks. Nog iets wat we gemeen hadden.

En? Wat vind je ervan? Is het al een beetje duidelijk wat er aan het gebeuren is?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *