Schrijven

Wat zeg je?

Eén van de dingen die personages graag doen is praten. Het is aan de schrijver om ervoor te zorgen dat ze spijkers met koppen slaan in het gesprek en niet enkel slap staan/zitten/lopen/liggen te ouwehoeren.

Leonardo Pisano publiceerde in 2014, samen met Marit van Ekelenburg, het boek ‘Mosterd voor de Maaltijd, een handleiding voor het schrijven van dialogen. Dit jaar wordt op opnieuw uitgebracht met extra toevoegingen. Ter gelegenheid van de lancering is er een schrijfwedstrijd ‘Pennen met mosterd’ en verschijnen er 8 gastblogs van Leonardo Pisano die de vinger op de meest voorkomende zere plekken legt als het om dialogen gaat.

Ik zeg maar zo, ik zeg maar niets.

Niets gebeurt zonder reden, in een verhaal dan. Een dialoog is daarom ook een bladvulling of tijdverdrijf, maar heeft een functie binnen het verhaal. In blog nr. 5 op de site van Mieke Wijnants legt Leonardo uit dat ‘iedere scene, en dus ook het dialoog, draagt bij aan een verandering in het verhaal.’

Dat hoeft niet te betekenen dat alles een kop-romp-staart dialoog hoeft te zijn. Als er een reden is binnen het verhaal dat personages A ineen een zin afkapt, zijn woorden inslikt of iemand onderbreekt, dan hoort dat er dus gewoon bij.

Het zijn net mensen. 

Inderdaad. Personages zijn net mensen en zo praten ze ook. Een huisarts praat anders dan een bootwerker, en die praat op zijn beurt weer anders dan een schooljuf. Wat ze gemeen hebben is dat niemand praat zoals het (groene) boekje.

Om een personages realistisch te laten klinken moet je hem/haar/het kennen. Niet als een vage kennis, maar bijna beter dan jezelf. Vandaar dat in  blog 3 bij Marjon Sjarneel staat beschreven dat je als het ware in de huid moet kruipen van je personages. 

Jij bent niet wie ik ben.

Om er zeker van te zijn dat je personages echt wel een eigen stem heeft en niet stiekem toch die van de schrijver, staat er op de site van Odille Smidt een vragenlijst waar je je personages aan kan onderwerpen. Voor ieder personage zijn de antwoorden anders, want personage A mag uiteraard niet hetzelfde klinken als personage B.

Let bij je personages vooral op:

  • Manier van praten (vlot, formeel, bekakt, moeizaam etc.)
  • Lengte van de zinnen
  • Zinstructuur
  • Intonatie
  • Passend bij achtergrond
  • Gebruik vocabulaire
  • Welbespraakt of juist niet?
  • Voor meer tips  zie blog 4.

Wat, hoe en waarop.

Het lastigste van een dialoog is om al bovengenoemde punten bij elkaar te brengen in een goedlopende dialoog. In een verhaal moet deze namelijk

  1. Functioneel zijn 
  2. Realistisch
  3. Zonder onnodige ruis.

In blog 2, op de site van Nel Goudriaan, geeft Leonardo aan hoe je een dialoog in fictie vormgeeft. 

  • Wees to the point
  • Stimulus en respons (het een haalt het ander uit).
  • Zorg voor conflict en/of tegengestelde belangen tussen deelnemers dialoog
  • Luisteren ze en reageren ze op elkaar?
  • Probeer zoveel mogelijk een 1 op 1 setting te creëren.

Copy, paste en luisteren.

Goede dialogen komen niet uit de lucht vallen en ze woorden ook niet 100% verzonnen. Ga heen en luister is het devies als het op dialogen schrijven aankomt. Ongegeneerd mensen afluisteren valt vanaf nu onder ‘research’. Op de website Confrontaal, van Marije Onstenk, beschrijft Leonardo in zijn gastblog hoe je kan schrijftaal kan voorkomen.

Luister eens goed naar hoe iemand praat, welke woorden worden er gebruikt, hoe lopen de zinnen?

Om een vertaalslag naar het papier te maken, kun je het beste afkijken bij ‘collega’s. Pak eens een boek van een auteur die je bewondert. Hoe zien daar de dialogen eruit? Wat zijn de sterke punten, waarom zijn ze zo krachtig?

Of neus eens voor de grap in filmscripts/toneelteksten. Hierin worden werelden gecreëerd tussen de gesproken zinnen en zijn zeker het ontdekken waard.

2 Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *